HOME  •   CONTACT US  •  JOIN E-LIST  •  DONATE
Heart with Wings

Dutch Translations

Office of the Brotherhood and Sisterhood Activity
Translations by Alima Mooijman

De eenheid van religieuze idealen - de Universele Eredienst

Sun, 06 May 2012 11:05:00 +0000
Prayers in DutchHazrat Inayat Khan Study Circle in DutchBrotherhood/Sisterhood Activity
22. DE UNIVERSELE EREDIENST

De religieuze activiteit van de Soefi Beweging wordt de Universele Eredienst of de Kerk van Allen genoemd. Waarom wordt ze zo genoemd? Omdat ze alle verschillende manieren van eredienst en alle Kerken insluit.

Deze Universele Eredienst die in de Soefi Beweging is opgericht was de hoop van alle profeten, het gebed en het verlangen van alle grote zielen: dat iedereen vertrouwd zou zijn met het licht dat in alle verschillende vormen zoals de Boeddhistische geschriften, de Koran, de Bijbel of de leer van Krishna of Zarathoestra, is aangereikt. De taak van de Soefi Beweging is het verspreiden van de eenheid van religie. Het is niet een opdracht om een bepaalde geloofsovertuiging of de een of andere Kerk of religie te promoten; het is een taak om de aanhangers van verschillende religies en geloven in wijsheid te verenigen, zodat zij zonder hun eigen religie op te hoeven geven hun eigen geloof versterken en het ware licht erop instellen. Op deze manier zal er meer hoop en een groter vertrouwen in de mensheid worden gevestigd. Achter alle oorlogen bevindt zich een vleugje religie. Telkens wanneer er een oorlog is geweest, en zelfs nu in zulke oorlogen als waar wij nu doorheen zijn gegaan, zien we altijd de vinger van religie. Mensen denken dat de reden voor oorlog meestal een politieke reden is, maar religie is een grotere aanstichtster tot oorlog dan enige politieke ideeën. Degenen die hun leven voor een idee geven tonen altijd een vleugje religie.

Dit religieuze kanaal, wat het Soefisme is, bestaat om grotere rampen te voorkomen en om de aanhangers van verschillende religies bij elkaar te brengen in het begrip van de ene waarheid achter de religies, zodat zij eerbied hebben voor alle leraren van de mensheid die in het dienen van de waarheid hun leven hebben gegeven. In plaats van net zo te handelen als de theologen aan de universiteiten die alleen maar het verschil tussen Mozes en Boeddha willen vinden, zou men achter alle religies moeten kijken om te zien waar zij zich verenigen, om uit te vinden hoe de aanhangers van de verschillende religies bevriend kunnen raken, hoe zij tot die ene waarheid kunnen komen. Zeggen dat de hele wereld tot een enkele Kerk, een enkele religie, moet horen is net zo absurd als dat alle mensen maar een soort kleding zouden dragen. De wereld zou heel oninteressant worden. Laat de mensen Kerken, geloofsovertuigingen en geloven hebben; laat hen verschillende opvattingen over dingen hebben zolang zij maar dichter bij de verwezenlijking van waarheid worden gebracht. Dan zullen ze vanzelf beter begrijpen dat de ware wijsheid het ware licht is, dat het de centrale wijsheid is die hen samenbrengt en die de mensheid inspireert.

Religie is iets wat de diepten van het hart raakt; en iedereen heeft zijn eigen opvattingen over religie die hij als heilig beschouwt. Door je mening te vrijelijk te uiten kun je gemakkelijk de opvatting die iemand anders als heilig beschouwt kwetsen.

Desondanks is er in alle tijden de behoefte gevoeld aan een Universele Eredienst, een Kerk van Allen. De hele mensheid in een enkele religie samenbrengen is het ideaal van de grote profeten geweest; maar aangezien de mensheid een grote variëteit aan opvattingen heeft is dit nooit gemakkelijk geweest.

Religie bestaat uit vijf hoofdelementen: geloof in God, verering van het spirituele ideaal, de morele conceptie, de vorm van aanbidding en de levensfilosofie. Wanneer we de variëteit aan religies in de wereld in ogenschouw nemen, zien we dat sommigen in één God geloven en dat sommigen in veel goden geloven; dat sommigen monotheïst zijn en sommigen pantheïst. Op deze manier verandert de opvatting van God onder de beschaafde volkeren van de wereld en wij mogen dankbaar zijn dat het niet langer zo is dat iedere familie haar eigen God heeft.

Hoe denkt de Soefi over God? Gelooft hij in één God? Als hij in één God gelooft hoe kan hij dan het geloof in veel goden tolereren? Het antwoord is dat de Soefi als oogmerk heeft vrede onder de verschillende gelovigen te brengen. Hij wil niet anders zijn dan zij; hij ziet hun gezichtspunt. Hij ziet dat degenen die veel goden hebben ook toegewijd zijn aan één God; het is eenvoudigweg zo dat zij de verschillende eigenschappen van God vereren. Om God begrijpbaar te maken voor de mens hebben de groten Hem verschillende namen gegeven. Op die manier zorgden ze ervoor dat de mens de goddelijke manifestaties duidelijk kon zien en dat is ook de reden waarom sommige leraren onderscheid hebben gemaakt tussen de verschillende goden. Er bestaat een gezegde: ‘Alles en iedereen begrijpen betekent alles en iedereen vergeven’ en de Soefi kijkt in overeenstemming met dit gezegde naar het leven.

Men zou kunnen zeggen dat iemand of een pantheïst of een monotheïst is, maar dat iemand niet allebei kan zijn. Ja, velen die van buitenaf naar theologie kijken zeggen dat dit twee duidelijk onderscheiden ideeën over God zijn en zij accepteren bereidwillig een van de twee maar niet allebei. In feite is het uiterst noodzakelijk dat deze twee tegengestelde ideeën bestaan. Wanneer we naar het centrum van een lijn kijken is die één; wanneer we naar de uiteinden kijken dan zijn er twee. Monotheïsme is net zo belangrijk als pantheïsme. Niemand kan een pantheïst zijn als hij niet ooit een monotheïst is geweest; en als men zou beginnen als pantheïst zou men nooit de conceptie van God begrijpen. Het monotheïstisch idee is noodzakelijk om de schoonheid van het pantheïstische idee volledig te beseffen.

Dan is er het idee van God die een persoonlijke God is. Sommigen vinden het moeilijk om zich God als een persoon voor te stellen; zij vinden dat het lijkt op het beperken van God, terwijl iemand anders zal vinden dat als God niet een persoon is Hij niet langer voor hem bestaat en dat Hij dan net zo goed lucht, ruimte of tijd zou kunnen zijn. Beiden hebben hun redenen en de Soefi bereidt zich erop voor om er vanuit het standpunt van beiden naar te kijken. Hij komt tot de conclusie dat men vanuit het persoonlijke ideaal op kan stijgen naar het complete ideaal; het complete ideaal dat het geziene en het ongeziene, vanbinnen en vanbuiten, de Absolute, omarmt.

De Soefi heeft dus geen moeite met zowel de aanbidder van één God als met de aanbidder van veel goden, omdat hij beide gezichtspunten kan zien. Hij geeft hun gezichtspunt een plek in zijn leven; hij ziet de natuurlijke ontwikkeling van menselijk begrip, zich uitbreidend van de bekrompen perceptie tot het hoogste ideaal. Maar als iemand een Soefi vraagt: ‘Jullie Soefi’s tolereren al deze verschillende opvattingen, wat is nu eigenlijk jullie eigen opvatting?’, dan antwoordt hij: ‘Er bestaat niet zoiets als de Soefi opvatting, hoewel ik wel mijn persoonlijke opvatting heb. De God die door mensen als de Rechter en de Schepper, als de Heer van de Hemel, wordt beschouwd is voor mij mijn Geliefde. Hij is mijn geliefde Ideaal die als enige mijn devotie verdient. Hij is alle schoonheid die bemint dient te worden’.

Daarom vestigt de Soefi zijn relatie met God als de relatie tussen hem en de Geliefde. Zijn verering van God is de verruiming van het hart; zijn liefde voor alle wezens en voor elk wezen is zijn liefde voor God. Hij kan niemand anders vinden om van te houden behalve God, omdat hij in alles en iedereen God ziet. Als zijn liefde wordt getoond in toewijding aan de ouders, aan een echtgenote, aan kinderen, als ze getoond wordt aan buren, een vriend of in het tolereren van vijanden dan beschouwt de Soefi dit als een van zijn daden jegens God. Op deze manier vervult hij in zijn leven de lering van de Bijbel: ‘Wij leven, bewegen en hebben ons wezen in God’.

Het spirituele ideaal is het tweede aspect van religie. Telkens wanneer de mens God zichtbaar op aarde heeft aangetroffen was dat in de vrome mensen. Zo gauw als de mensheid de hoogte van beschaving bereikt zien we het goddelijke dat zich in een menselijk wezen heeft gemanifesteerd, een menselijk wezen dat in zijn leven God volledig tot uitdrukking brengt. Dat grote ideaal is aan sommige mensen verschenen en zij hebben het Jezus Christus genoemd. In andere delen van de wereld, onder andere rassen en in andere tijden, werd deze zelfde manifestatie, waarvan de menselijke wezens voelden dat die goddelijk is, Boeddha of Mozes of Mohammed genoemd. De mensen volgden hen, hielden van hen, aanbaden hen, hielpen hen in hun moeilijke omstandigheden. Via hen werd hun volgelingen een bepaalde manier van leven, een harmonieus leven aangereikt; telkens wanneer het nodig was heeft de wereld altijd verschillende manifestaties als deze ontvangen. De beperking van het mensdom zorgde er echter voor dat zij ruzie maakten over de grote persoonlijkheden die ieder van hen aanbad, en zij hebben geprobeerd de grootsheid en goedheid van de leraren van de andere gemeenschappen in twijfel te trekken. Op deze manier is de mensheid in geloofsgemeenschappen verdeeld geraakt.

De Soefi kijkt hier vanuit een tolerant gezichtspunt naar. Hij gelooft dat toegewijd zijn aan een spiritueel ideaal, net als aan een menselijke persoonlijkheid, een individuele aangelegenheid is. En omdat hij vindt dat het ideaal van de leraar dat door iemand wordt gerespecteerd te heilig is om te verstoren, verenigt hij het met alle andere. Als iemand de Soefi vraagt: ‘Welk ideaal bent u trouw?’, dan antwoordt hij: ‘De Ene Leraar; de enige die hier altijd is geweest, die heeft verkondigd dat hij Alfa en Omega is, de eerste en de laatste. Al deze verschillende namen die de wereld hoogacht zijn de namen van één persoonlijkheid’. Welke naam dat ook is, de Soefi voelt exaltatie; hij ziet één heilige persoonlijkheid achter al deze namen.

Het derde aspect is de morele conceptie. De aanhangers van de ene religie maken ruzie met de aanhangers van een andere religie omdat die er niet dezelfde waarden en normen op na houden. Maar het is wat de mens betreft arrogantie om een ander op grond van zijn eigen waarden en normen te beoordelen. Het is onrechtvaardig om te proberen een andere gemeenschap vanuit je eigen gezichtspunt te beoordelen; hier is geen handeling die men aan kan wijzen als zijnde zonde of deugd, juist of verkeerd. Dingen worden juist of verkeerd in overeenstemming met de plaats of de tijd. Goed en kwaad worden door een natuurlijk inzicht van de ziel begrepen. De ziel is mooi en is op zoek naar schoonheid; wat er in schoonheid mist is dat wat kwaad genoemd zou kunnen worden, en wat mooi is is dat wat deugd genoemd kan worden.

Ongetwijfeld werd er op een bepaalde tijd een bepaalde levensregel gegeven; maar het is niet juist om de religie van de verschillende volkeren volgens die levensregel te beoordelen. Het is dus de taak van de Soefi om in zijn hart de gevoeligheid te wekken die hem in staat zal stellen om goed van kwaad en juist van verkeerd te kunnen onderscheiden; en op deze manier vormt de Soefi, met de almaar toenemende bewustwording van deze spirit van gevoeligheid, zijn karakter. De Soefi is bereid om anderen te tolereren, om anderen te vergeven. Hij roept zichzelf tot de orde als hij in zijn manier van uiten, in denken, spreken of handelen schoonheid mist.

De vorm van aanbidding is het vierde aspect. De vormen van aanbidding van alle verschillende religies zijn noodzakelijkerwijs anders; dat is afhankelijk van waaraan je gewend bent, waar je natuur verwant mee is. Je kunt niet een algemene regel opstellen en zeggen dat deze vorm verkeerd is en die vorm juist. De ene persoon zal wellicht meer exaltatie voelen in een vorm van aanbidding die wat kunst omvat; dat stimuleert zijn emotionele natuur. Muziek, schilderijen, parfums, kleuren en licht hebben allemaal invloed op een dergelijke persoon. Een andere persoon kan zich beter concentreren als er zich op de plek van aanbidding niets bevindt wat zijn aandacht afleidt. Het is allemaal een kwestie van temperament; er zit niets verkeerds in om een voorkeur voor de ene of voor de andere vorm te hebben. De Soefi ziet de variëteit aan vormen als verschillende idealen; hij hecht geen belang aan de uiterlijke expressie. Als er zich een oprechte spirit achter bevindt, als iemand een gevoel voor aanbidding heeft, maakt het niet uit welke vorm van aanbidding dat is. In een kerk, op een plek in de open lucht, er is overal een antwoord op het gevoel voor aanbidding.

De Universele Eredienst is niet een andere Kerk die moet worden opgenomen in de variëteit aan bestaande Kerken. Het is een Kerk die degenen die tot verschillende religies behoren de gelegenheid biedt om samen te aanbidden. Ook brengt ze een oefening in het respecteren van de groten die van tijd tot tijd zijn gekomen om de mensheid te dienen. De verschillende geschriften van degenen die wijsheid hebben onderricht worden aan het altaar van de Kerk van Allen gelezen. Nochtans wordt geen enkele Soefi zelfs ook maar gedwongen om deze Kerk van Allen te bezoeken; een Soefi is een Soefi, ongeacht naar welke Kerk hij gaat. Een Soefi zijn is een gezichtspunt; het betekent een bepaalde kijk op het leven hebben maar niet per se het naar een bepaalde kerk toe gaan.

En tenslotte is er het vijfde aspect, de filosofische kant van religie. Men krijgt gedurende de Universele Eredienst de indruk dat er één bron is waaruit alle geschriften zijn gekomen en dat er ondanks de geloofsovertuigingen in veel goden slechts één enkele God is. En op deze manier komen we tot de verwezenlijking die we via aanbidding, via devotie zoeken: dat er één enkele waarheid is. Voor iedereen die die ooit heeft bereikt of die ooit zal bereiken, is het één en dezelfde waarheid. In alle grote geschriften van de wereld kunnen er sporen van waarheid gevonden worden en de waarheid wordt door alle groten onderricht die van tijd tot tijd zijn gekomen. Niets, geen gemeenschap, Kerk of geloofsovertuiging zou iemand af moeten houden van die verwezenlijking waarin het doel van het leven ligt. Waarlijk, iedere ziel probeert de waarheid te bereiken en het is de waarheid die kan verlossen.

From The Teaching of Hazrat Inayat Khan, Volume 9, The Unity of Religious Ideals, Chapter 22, The Universal Worship

Learn More

View Archives